Historiek
-
Algemeen
De huidige gemeente Sint-Martens-Latem is op 1 januari 1977 ontstaan uit de samenvoeging van Deurle en Sint-Martens-Latem. Deurle telde toen 2.163 inwoners, Latem 5.154. De totale oppervlakte bedraagt 1.432 ha. (Deurle: 542 ha.; Latem: 890 ha.). Bij de 10-jaarlijkse volkstelling van 1 maart 1981 waren er 7.663 inwoners; per 31 december 2000 telde de gemeente 8.375 inwoners.
Naamgeving
De naam DEURLE komt in de oude documenten onder
verschillende spellingen voor: "Durle" in 1114, "Dorle" in 1118 en 1123, "Dorla"
in 1239.
In de latere Middeleeuwen treft men het meest "Duerle" aan, naast ‘Deurel’. Voor
de naam Deurle werden verschillende verklaringen gegeven. Volgens de meest
recente is het eerste lid "dor" misschien verwant met het Middelnederlands
"doort" = "dolik" = een soort gras dat tussen het koren opschiet ; het tweede
lid "lo" = een bosje op een zandrug. Een dorp dus waar dolik groeit in de magere
velden en een bosje (of een bos) bezit op z'n hoge zandrug. Het toponiem zou via
de afleiding ‘deurlede’ ook kunnen betekenen ‘doorgang van water’ (‘lede’ is
watering).
De naam LATEM, in de 9de eeuw geschreven als "Lathem" afgeleid van "Lata haim", wordt vertaald als de nederzetting van laten. "Laat" betekent halfvrije, en "Lathem" "nederzetting van halfvrijen". Deze naam dateert uit de 5de of 6de eeuw. "Sint-Martens-Latem" herinnert aan de toewijding van de kerk aan de heilige bisschop van Tours. De naam van de parochieheilige werd pas in de 16de eeuw toegevoegd om de gemeente te onderscheiden van twee andere plaatsnamen die van dezelfde ‘stam’ vertrekken, nl. Maria-Latem en Paulatem.
Geschiedenis – Algemeen
Alhoewel er tot de Middeleeuwen geen aanwijzingen zijn van een eventuele bewoning te Deurle, werden toch bij de bouw van het kasteel della Faille in 1850, (nu Leiepark en in 1954 afgebroken) de stukken teruggevonden van wapens en van een helm, die dateerden van het Romeins tijdvak. In Latem werden zelfs enkele neolitische bijlen en materiaal uit het ijzertijdperk gevonden die aantonen dat het gebied reeds in de prehistorie werd bezocht of bewoond. Romeinse munten en scherven werden er eveneens aangetroffen. In de Middeleeuwen vormden Deurle en Latem elk een parochie, want voor de Franse revolutie bestonden er geen gemeenten zoals wij die nu kennen en was er ook geen eenheid op het stuk van gerechtelijke of bestuurlijke organisatie.
De oudste vermeldingen zijn:
|
Wijk Brakel |
736 |
|
Latem |
824 |
|
Deurle |
1118 |
|
Sint-Martens-Latem |
1547 |
|
Beide kerken (zelfde oorkonde) |
1121 |
|
De molen (Sint-Martens-Latem) |
1373 |
Heerlijkheden - tot 1789
Het grondgebied van beide parochies of dorpen lag verdeeld over verschillende
heerlijkheden. Zo kende Deurle 's Graven Hazele (of 's Graven Aerseele) als
belangrijkste heerlijkheid en verder de heerlijkheden van Nevele en van de
Broeckstraete.
Latem was o.m. verdeeld over de heerlijkheid van St.-Baafsabdij, de heerlijkheid
Overmeers (zelf heerlijk leen van de St.-Pietersabdij), een enclave die deel
uitmaakte van de heerlijkheid van Nevele, en ten slotte de heerlijkheid van 's
Graven Hazele. Deze vier vindt men terug op het gemeentelijk wapenschild. De
heerlijkheden van Nevele en van 's Graven Hazele strekten zich dus zowel over
Deurle als over Latem uit.
De St.-Baafsabdijhoeve, beter bekend als Het Tempelhof.
De heerlijkheid van 's Graven Hazele bezat het grootste gedeelte van Deurle en slechts enkele bunders in Latem. Deze heerlijkheid hing rechtstreeks af van de graven van Vlaanderen. Zij beheerde ook nog een gedeelte van Zevergem (wijk Toutefais). De heerlijkheid van Nevele oefende in hoofdzaak de macht uit over het Warandebos, dat achter de kerk van Deurle lag, en zich verder uitstrekte over het huidige golfterrein en de omgeving van de Reinaertdreef in Latem. Ook Brakel hing grotendeels van Nevele af.
Detail van Deurle uit Heerlijk Renteboek van het Land van Nevele, 1644
De heerlijkheid van Overmeers hing af van de St.-Pietersabdij en lag in Latem, samen met de andere afhankelijkheden van deze abdij, ten zuiden van de huidige Kortrijksesteenweg. Terloops, er was ook nog de heerlijkheid van de Broeckstraete. Deze hing af van het Land van Rode (uitgestrekt heerlijk gebied ten Oosten van de Schelde met Schelderode als centrum). Het omvatte "het Hof van Plaisance" en de omliggende landerijen (Broekstraat).
Oorlogen en bezetting
Beide dorpen hebben ruim hun aandeel gehad in de roerige tijden van oorlog en bezetting. Een kroniek verhaalt dat, in oktober 1578, de Walen na de inname van Menen, op hun terugtocht te Latem en in de omliggende dorpen "veel quaets deden, als branden, moorden, pilghieren, ende andere saecken den lande seer schaedelick". Ongeveer 200 boeren van de gemeente en de omliggende dorpen, die gewapend weerstand boden, werden verslagen. In december 1585 ondernamen "vrijbuiters" uit Sluis een uitval in Deurle en Latem. Om zijn grondgebied te beschermen richtte het bestuur van de Oudburg een eigen corps op dat in elke parochie werd aangevuld door een burgerwacht, bestaande uit alle weerbare mannen van 16 tot 60 jaar.
Van 1635 tot 1648 woedde de gezamenlijke oorlog van Frankrijk en de Verenigde Provinciën tegen Spanje, waardoor de dorpen rondom Gent verwoest en uitgebuit werden door zowel de vijandelijke als de hulpbiedende troepen! In de tweede helft van de 17de eeuw werd het land zwaar geteisterd door de oorlogen van Lodewijk XIV. In 1675 kampeerde deze Franse koning met zijn leger te Deurle, wat grote schade meebracht voor de landbouw. Ook bij de belegering van Gent in 1708 werden verwoestingen aangericht en moest de bevolking grote geldsommen betalen voor het onderhoud van het Franse leger. Einde 1792 werden Gent en omstreken ingenomen door het Franse leger en de daaropvolgende jaren werd Vlaanderen bij Frankrijk ingelijfd. In 1794 werden de heerlijke rechten, de tiendeheffingen en de adel afgeschaft. De conscriptie werd ingesteld en heel wat dorpelingen werden bij het Franse leger ingelijfd. Tevens werd een burgerlijk bestuur ingevoerd. Na de slag bij Waterloo werd het "Zuiden" in 1814 met de "Noordelijke Nederlanden" verenigd.
Bestuur
Sedert de onafhankelijkheid van België tot 1977 (het jaar van de fusie) kende
Latem 11 burgemeesters en Deurle 10.
De heer Willem Poelman Hamerlinck, die burgemeester was tot 1836, oefende dit
ambt uit zowel voor Deurle als Latem. Vanaf 1836, met de gemeentewet, was een
dergelijke cumulatie niet langer mogelijk. Het is overigens niet in de jongste
jaren zeventig dat er voor het eerst de plannen ter tafel komen om Deurle en
Latem samen te voegen. Reeds in 1804 stelde Emmanuel Papeleu, eveneens
burgemeester van de twee gemeenten, een grenscorrectie voor tussen Deurle en
Sint-Martens-Leerne, en indien dit niet haalbaar zou zijn, dan stelde hij voor
dat Deurle en Sint-Martens-Latem zouden samengevoegd worden. Zowel de
grenswijziging met Leerne als de samenvoeging van Latem en Deurle gingen toen
niet door. Het is overigens niet in de jongste jaren zeventig dat er voor het
eerst de plannen ter tafel komen om Deurle en Latem samen te voegen. Reeds in
1804 stelde Emmanuel Papeleu, eveneens burgemeester van de twee gemeenten, een
grenscorrectie voor tussen Deurle en Sint-Martens-Leerne, en indien dit niet
haalbaar zou zijn, dan stelde hij voor dat Deurle en Sint-Martens-Latem zouden
samengevoegd worden. Zowel de grenswijziging met Leerne als de samenvoeging van
Latem en Deurle gingen toen niet door.
Gemeentehuis Sint-Martens-Latem - Dorp 1
In 1827 werd door de heer District-Commissaris aan de Gemeenteraad van Deurle de vraag gesteld of het niet voordeliger zou zijn zich met Latem te verenigen. De Raad zag het nut hiervan niet in en het voorstel werd afgewezen. Van overheidswege zijn er sindsdien geen fusievoorstellen meer gedaan tot 1976, toen vele gemeenten noodgedwongen de samenvoeging dienden te ondergaan: Deurle en Latem hebben het er dan nog goed van afgebracht!
Beroepsbezigheden
Beide gemeenten zijn tot en met de eerste helft van de 20ste eeuw vooral
landbouwdorpen gebleven.
Enige noemenswaardige nijverheid is er niet geweest, behalve de Blekerij aan de
Leie te Latem, enkele bloemisterijen in beide dorpen en in Latem een paar
familiale brouwerijen en een stokerij.
De bevolkingstoename die sedert het begin van de eeuw zachtjes op gang was
gekomen, zette zich na de oorlog 1940-1945 met een ware stroomversnelling door:
het natuurschoon trok heel wat inwijkelingen aan, zodat beide dorpen een
residentieel karakter kregen en de landbouw ruim verdrongen werd.
Gelukkig zijn onze twee dorpsgemeenschappen toch nog aantrekkelijk landelijk. Er
is ook nog merkwaardig veel groen, sfeer en bezieling, waarvoor we onze
inwoners, onze raden en verenigingen alsook allen die hier verblijven, oprecht
dankbaar zijn.
Litteratuur:
Raf Van den Abeele e.a., Sint-Martens-Latem 824-1974 - Schetsen uit
1150 jaar geschiedenis, Heemkring Scheldeveld 1974
Urbain van den Heede, Geschiedenis van Deurle, Gemeentebestuur
Sint-Martens-Latem 1992
-
Sint-Martens-Latem - kunstenaarsdorp
Sint-Martens-Latem heeft in de eerste plaats faam verworven door een groep gerenommeerde Gentse kunstenaars die vanaf 1900 in het dorp actief zijn. Hun gastheer is Albijn Van den Abeele, de gemeentesecretaris en amateurschilder die de immigranten uit de grote stad een warm hart toedraagt.
De eerste groep van Latem, vlnr Hector van Houtte, George Minne, Gustave
van de Woestyne, Valerius De Saedeleer, Karel van de Woestijne en Albijn
van den Abeele. Ca.1902 in Sint-Martens-Latem aan de Leie
Tot de eerste groep behoren onder meer Valerius de Saedeleer, George Minne, Karel en Gustave van de Woestyne. Hun kunst staat in het teken van een religieus geïnspireerd symbolisme, met stijlkenmerken van de Art Nouveau en de Vlaamse Primitieven. Albert Servaes gaat eigenlijk meer zijn eigen weg en staat tussen de twee groepen in.
Kort na 1905 komt een andere generatie naar Latem, met andere ideeën. Men
vindt eerst zijn heil binnen de stijl van het impressionisme, waarvan Emile
Claus, even ten zuiden van Latem wonend, het grote voorbeeld is. De belangrijke
vertegenwoordigers van de tweede groep zijn Frits Van den Berghe, Constant
Permeke, Gustave en Leon De Smet, Maurice Sys.
Na de Eerste Wereldoorlog doet het expressionisme zijn intrede in de kunst van
Van den Berghe, Gust De Smet en Permeke. De werken die in de jaren twintig
ontstaan, geven Sint-Martens-Latem als kunstenaarsdorp een definitieve plaats in
de geschiedenis. Hubert Malfait en Jules De Sutter zetten de tendens van dit
landelijk expressionisme na 1925 verder.
Velen van de Latemse en Deurelse kunstenaars liggen begraven op de kerkhoven
van de twee deelgemeentes en op de Latemse begraafplaats.
Op het oude kerkhof van Latem liggen George Minne en Albijn Van den Abeele.
Op de nieuwe begraafplaats vindt men de graven van o.m. Richard Minne, Lieven
Duvosel, Firmin Van Hecke, Edgard Gevaert, Pol Van Assche, Miel Roos, Carl De
Cock, Jules De Sutter, Hubert Malfait, Herman Van den Abeele, Miel De Cauter,
Maurice Schelck, Chris Pots, Frans De Cauter, Hendrik Caspeele, Julien Van
Langenhove, Vic Dooms, Eduard De Clercq.
Het graf van Gust. De Smet te Deurle
Op het kerkhof van Deurle rusten de broers Gust en Leon De Smet, Xavier De Cock, Jenny Montigny, Albert Claeys, Hugo Van den Abeele (geschiedschrijver en 53 jaar gemeentesecretaris), de toneelschrijver Gaston Martens, Piet Bekaert en de dichter Jef De Belder.
Litteratuur:
Paul Haesaerts, Sint-Martens-Latem, gezegend oord van de Vlaamse
kunst, Antwerpen 1965, 1982
Piet Boyens, Sint-Martens-Latem, kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt
1992, 1998
Piet Boyens, Een zeldzame weelde - de kunstenaars van
Sint-Martens-Latem, Gent 2001


